VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Het hing al langer in de lucht, maar nu de Tweede Kamer heeft ingestemd met nieuwe regels voor Box 3, laait de kritiek onder beleggers volop op. Wat verandert er precies, wanneer gaan de nieuwe regels in, en is er nog ruimte voor verbetering?

Een gedrocht, een moeras, niet uit te leggen, onrechtvaardig en krom op alle mogelijke manieren. De emoties rond Box 3, de fiscale heffing op beleggingen, zijn vrijwel unaniem negatief. De onvrede is niet nieuw, want de manier waarop de fiscus belasting heft over spaar- en beleggingsgeld vormt al jaren een steen des aanstoots. Bij spaarders, beleggers, Kamerleden en rechters tot aan de Hoge Raad toe. 

Vanaf 2028
Het meest recente chagrijn gaat om een ingrijpende hervorming van de box 3-belasting, die vanaf 1 januari 2028 moet ingaan. Tot en met 2027 geldt nog het tijdelijke forfaitaire stelsel, waarbij de fiscus rekent met een verondersteld rendement van circa 6 procent. Belastingplichtigen betalen belasting ongeacht hun werkelijke opbrengst, tenzij zij zelf kunnen bewijzen dat het rendement lager was, de tegenbewijsregeling.

Vanaf 2028 verschuift het systeem naar belasting op wat genoemd wordt ‘werkelijk rendement’. Daarbij worden niet alleen rente, dividend, maar ook waardestijgingen van beleggingen meegerekend.

Aan het nieuwe systeem kleven grote bezwaren. Beleggers moeten belasting betalen over winst die nog niet is gerealiseerd, terwijl verliezen niet altijd kunnen worden verrekend. Dit kan ertoe leiden dat mensen in wisselende beursjaren een extreem hoge belastingdruk ervaren.  
 
Daarnaast ontbreekt een inflatiecorrectie, waardoor ook rendement dat enkel koopkrachtverlies compenseert wordt belast. Dat geeft een verkeerd signaal en zal particulieren ontmoedigen om te beleggen, zeker in minder risicovolle beleggingen. 

Nog een verandering is het verdwijnen van de heffingsvrije drempel. Vanaf 2028 telt elke euro mee, waardoor ook kleinere beleggers voor heffing in aanmerking komen. Zij mogen wel maximaal EUR 1800 aftrekken van het (papieren) rendement waarover belasting verschuldigd is in Box 3. Maar ook dan levert een risicomijdende belegger, bijvoorbeeld in staatsobligaties, nog altijd een groot deel van het rendement in. 

Voor een zeer grote groep belastingplichtigen geldt tegenwoordig de loonbelasting als eindheffing. Is je vermogen in het begin van het jaar minder dan 59.357 (en 118.714 voor een huishouden), dan hoef je vaak geen Inkomstenbelastingformulier meer in te vullen, externe hulp te zoeken of een eigen administratie bij te houden. Ook dat zal veranderen. Je kunt niet aan het begin van het jaar voorspellen of je per einde jaar onder de heffingsvrije drempel blijft, zal een passende administratie moeten bijhouden en grote kans dat je vanaf dat moment elk jaar het Inkomstenbelastingformulier moet invullen. Van vermindering van administratieve lasten en ontzorging is dan geen sprake meer.

Tot 2028
Vrijwel niemand is blij met de Box 3-belasting die vanaf 2028 ingaat. Tegelijk valt het verdwijnen van de huidige regeling – die dus geldt tot 2028 -niet echt te betreuren. Dat de Tweede Kamer met frisse tegenzin heeft ingestemd met de nieuwe Box 3-regels heeft vooral te maken met de beroerde regeling die nu geldt. 

Voorzichtig beleggen om je vermogen in stand te houden, blijkt een recept voor verlies door de fiscale regels rond box 3. In de huidige regeling kan teveel betaalde belasting teruggevraagd worden maar daarvoor moeten belastingplichtigen zelf bewijs aanleveren, wat – ook volgens de Raad van State – eigenlijk meer moeite kost dan redelijk is. Bovendien mogen kosten van beleggen en inflatie niet meegerekend worden. 

En nu? 
De regeling vanaf 2028 is een tussenstap die uiteindelijk moet uitmonden in een vermogenswinstbelasting waarin enkel daadwerkelijk gerealiseerde winsten belast worden en geen papieren opbrengsten. De tussenstap is nodig om de Belastingdienst tijd te geven voor deze regeling. Die mogelijk al in 2030 in werking kan treden. 

Waarom niet wachten tot 2030 en in een keer een goede regeling invoeren in plaats van een kreupele tussenoplossing? Het antwoord laat zich raden: dat kost de Staat extra geld want de huidige regeling met tegenbewijs kost veel geld om uit te voeren. Voor vastgoedbeleggers is de huidige regeling ook zeer negatief want kosten mogen niet worden afgetrokken. 

Komende jaren blijft Box 3 dus een vat vol frustratie. En steeds is er weer hetzelfde dogma om grote veranderingen in de goede richting te blokkeren: de uitvoering door de Belastingdienst. Dat is niet langer uit te leggen. 

Alsnog zal zoveel als mogelijk gedaan moeten worden om de komende regeling minder ongunstig te maken voor belastingplichtigen. Het meest voor de hand ligt al in 2028 over te stappen op een systeem waarin alleen daadwerkelijk behaald rendement wordt belast. Daarbij moet in ieder geval inflatie worden meegeteld als minpost op het rendement en de mogelijkheden tot verliesverrekening worden verruimd. 

Komende week begint de Eerste Kamer aan de behandeling van de nieuwe wet. Voor beleggers valt te hopen dat onze volksvertegenwoordigers de terechte ophef onder belastingplichtigen op waarde weten te schatten.